Nieuws

Winamer Belang doet aangifte tegen minister EZK

WIJNALDUM – Rinze Post van Winamer Belang heeft het Openbaar Ministerie verzocht de minister van Economische Zaken en Klimaat te vervolgen. “Door het falen en onrechtmatig handelen van de minister van EZK staan burgers in de kou bij schade ten gevolge van bodembewegingen/-trillingen inzake mijnbouwactiviteiten”, schrijft Post in een brief aan het OM.

Post bijt zich al jarenlang vast in een dossier over bodemdaling in en rond Wijnaldum. Het dossier bestaat voor een flink deel uit correspondentie van de overheid. “In deze brieven staan zoveel tegenstellingen, dat wij het nodig achten om deze bij het OM in te dienen”, aldus Post. In een uitgebreide brief aan het ministerie van EZK somt Post zijn kritiek op en volgens de voorzitter van Winamer Belang is er sprake van strafbare feiten.

Verder stelt Post dat de overheid burgers met schade in de kou laat staan, en geeft een voorbeeld. Hij schreef eind 2015 een brief over omkering van de bewijslast aan toenmalig minister Kamp van EZ. “Omdat wij na drie jaar nog steeds geen antwoord van het ministerie hebben ontvangen, hebben wij in januari 2018 de Nationale Ombudsman ingeschakeld. Deze heeft het ministerie verzocht om antwoord te geven op onze vragen. Tot nu toe zonder resultaat.”

Ook de Technische commissie bodembeweging laat het volgens Post afweten. Leden van de commissie bezochten eind vorig jaar Winamer Belang in Wijnaldum. Post: “We hebben afgesproken dat de Tcbb binnen drie maanden met een reactie zou komen. Tot nu toe niets gehoord.”

“Het is inmiddels wel duidelijk dat er in onze regio een zeer snelle bodemdaling heeft plaatsgevonden tijdens de zoutwinning”, zegt Post. “De minister en de provincie spraken steeds over een geweldige schaderegeling, maar hebben tot nu toe niets ondernomen.”

De brief van Post aan het ministerie  van Justitie en Veiligheid plaatsen we hier onder.


Geachte minister(s),

 

De bescherming van onze grondrechten, het recht op bezit, veiligheid, gezondheid, een gezond leefmilieu en het recht op `due process' en `fair trial' is met ‘welgeschoeide’ voeten getreden. Door het falen en onrechtmatig handelen van de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) staan burgers door geheel Nederland, meer in het bijzonder Groningen, Drenthe en Friesland, in de spreekwoordelijke kou bij schade ten gevolge van bodembewegingen/-trillingen inzake mijnbouwactiviteiten. Dat is de reden om U deze brief te schrijven, met het verzoek de minister van EZK op te sporen en te vervolgen voor schade van psychische en/of materiële aard.

 

 

Staat schiet tekort en faalt

Het Openbaar Ministerie (OM) welke valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)  is de organisatie die verantwoordelijk is voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten.

 

Uit de analyses van prof. mr. J.M. van Dunné (NJB 19-12-2014 en TGMA 17 jan. 2015) van de schade die door gas- en zoutwinning werd toegebracht aan de eigendom van inwoners in het winningsgebied, met name aan gebouwen, kwam naar voren dat de Staat, dat wil zeggen het ministerie van EZK met het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), tekortgeschoten is in maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig gehandeld heeft.

 

Kort gezegd, gaat het hier om onzorgvuldigheden bij het verlenen van vergunningen in de afgelopen decennia, bij de advisering van SodM daarbij, bij het toezicht op de exploitatie eveneens door SodM en bij het toezicht op de afwikkeling van schade als gevolg van aardbevingen en -trillingen door SodM en KNMI.

 

Het falen van de overheid, i.c. de minister van EZ is door prof. mr. J.M. van Dunné uitvoerig beschreven in een tweetal artikelen:

-'Mijn en dijn in de Mijnbouwwet 2003. Het demasqué van een wetgever op het Groningen gasveld', Nederlands Juristenblad 19-12-2014 — Afl. 44/45, pp.3122-3132); 

- Het falen van Wetgever, Toezichthouders en Commissies bij de gaswinning in Groningen', Tijdschrift voor Gezondheidsschade, Milieuschade en Aansprakelijkheidsrecht, TGMA 2014-4, pp. 174-193 (17 jan. 2015).

 

 

De Januskop van de minister

Op het gebied van mijnbouwschade heeft de Hoge Raad in het standaardarrest uit 1920, kasteel Strijthagen, - de basis waarop sindsdien ruim 100.000 schadegevallen in Zuid-Limburg afgehandeld zijn voor vele honderden miljoenen guldens - bepaald dat de mijnbouwmaatschappij haar verplichting om schade te voorkomen,  geschonden had (TMGA 2015, afl. 1).

 

Daarbij was niet relevant dat dit tot exorbitante kosten zou leiden, noch dat dit (ook in het buitenland) niet gebruikelijk was, aldus het verweer van de mijnexploitant. Let wel, dit alles op basis van schuldaansprakelijkheid onder de oude Mijnwet van 1810 op grond van een vermoeden van schuld.

 

Het ministerie en de minister van EZ, mevrouw Jorritsma, bleven in 2002 bij het opstellen van de nieuwe Mijnbouwwet mordicus tegen bewijslastomkering, negeerden of ontkenden zelfs informatie uit de rechtsvergelijking en wisten de Tweede Kamer te paaien met de invoering van een wat meer opgetuigde Technische Commissie, de Technische Commissie Bodembeweging (Tcbb) als alternatief daarvoor.

 

 

Kamer verkeerd voorgelicht

De minister van EZ, Jorritsma, heeft over dit standaardarrest gezegd dat in het Rapport-Van Dunné ten onrechte was aangenomen dat de Hoge Raad hier de omkering van de bewijslast had aanvaard.  Hiermee werd een verwarring gecreëerd die heel functioneel bleek voor het beoogde doel: de Tweede Kamer wist het ten slotte ook niet meer.

Aldus werd deze verkeerde voorlichting van zaken over omkering van de bewijslast feestelijk opgediend en vervolgens door de Kamer zonder veel commentaar geconsumeerd. Een ‘canard’ eerste klas volgens prof. mr. J.M. van Dunné (J.M. van Dunné, NJB 18 dec. 2014).

 

De minister heeft niet alleen de Kamer verkeerd (‘vals’) voorgelicht, ook de provincies zijn op het verkeerde been gezet. Getuige de brief van de provinsje Fryslân dd 18 febr. 2014, in antwoord op schriftelijke vragen van de FNP (dhr. J. Visser), waarin gesteld wordt dat: “De rapporten dy't Van Dunné átbrocht hat, hawwe laat ta wiidweidige diskusjes oer de laars en tsjins' fan It trochfieren fan it omkearen fan de bewiislést yn en bOten de Twadde Keamer by de parlemintére behanneling. ()ader oare troch ás mienskiplike oanset is áteinlik in breed átwurke skearegeling yn de Mynbouwet opnommen. Nel Os betinken biedt dy regeling de boargers grutte rjochtswissichheid en garandearret in solide afwikkeling fan skeagefallen”.

 

Kenmerkend ons inziens is ook de volgende uitspraak van minister Jorritsma in de Tweede Kamer in 2002 als antwoord op Atsma (CDA): “Waarom heb ik dit allemaal gedaan? Ik heb de Tcbb toch niet voor niets die bevoegdheid gegeven? De burger is daar toch fantastisch mee geholpen? Ik zou zelfs zeggen dat wij dat verder voor geen enkele burger doen die mogelijk schade heeft door publiek handelen. Deze burgers worden dus heel goed geholpen. Ik ben het er overigens mee eens, omdat de burger op dit terrein nauwelijks enige expertise heeft”. We weten nu inmiddels uit de praktijk hoe ‘fantastisch’ die burger geholpen is …

 

 

Staat houdt zich van de domme

In zijn artikel uit 2002 in het NJB wees prof. mr. J.M. van Dunné er al op dat het recht op informatie bij bodembeheer in Nederland van oudsher in de Grondwaterwet opgenomen is, terwijl in het buitenland de Duitse Umwelthaftungsgezetz van 1991 en het Engelse mijnrecht ook voorbeelden daarvan geven. Tot de dag van vandaag houdt de Staat der Nederlanden zich, anders dan in de ons omringende landen, op dit punt van de domme.

 

Eind jaren negentig was dit beginsel van voorzorg in acht nemen geaccepteerd in ons recht, ook in de rechtspraak. De problemen rond de Waddenzee, het boren naar gas daar, leidde tot een mooie uitspraak van de President Rechtbank Leeuwarden in 1997 die de Staat bekend zou moeten zijn. De President liet zich door de Raad van State inspireren die gesteld had dat bij leemten in kennis dat geen stellige conclusies over geringe effecten op het milieu kan rechtvaardigen.

 

De President overwoog toen met betrekking tot de Planologische Kernbeslissing Waddenzee: “Wanneer op basis van de best beschikbare informatie bij de afweging sprake blijkt te zijn van duidelijke twijfel over het achterwege blijven van mogelijk belangrijke negatieve gevolgen voor het ecosysteem, dan zal het voordeel van de twijfel in de richting van het behoud van de Waddenzee gaan, hetgeen betekent dat de hoofddoelstelling - bescherming van de Waddenzee als natuurgebied - bepalend is”.

 

 

Het ministerie van EZK antwoordt niet

De provincie Fryslân schrijft in haar brief dd 19 mei 2015 (kenmerk 01216100) op prangende vragen van verontruste - en gedupeerde - inwoners, verenigd in de stichting Winamer Belang, het volgende: “Wij hebben met onze e-mail van 12 maart 2015 de ontvangst van uw brief van 5 maart 2015 bevestigd. Daarbij hebben we ook aangegeven dat wij van mening zijn dat de beantwoording door het ministerie van Economische Zaken (EZ) moet gebeuren.

 

Omdat u soortgelijke brieven ook aan diverse andere instanties heeft verzonden, waaronder het ministerie van EZ, zijn zij bekend met uw vragen. Wij hebben begin maart en recentelijk nogmaals bij het ministerie aandacht gevraagd voor de beantwoording. Zij hebben toegezegd de gestelde vragen te zullen beantwoorden”.

 

Wij leven nu medio 2018 en er is nog steeds geen antwoord ontvangen van het ministerie van EZK….

 

 

Internationaal-publiekrechtelijke beginselen

Daar komen nog enkele internationaal-publiekrechtelijke beginselen bij, met name het voorzorgbeginsel, alias ‘precautionary principle’, meestal vertaald als: “Bij twijfel, niet inhalen”.

 

Men kan zich als toezichthoudende overheid niet verschuilen achter het ontbreken van algemeen erkende wetenschappelijke inzichten over een bepaald gevaar of risico. Bij twijfel, niet inhalen; net als in het wegverkeer, kan ‘wel inhalen’ tot brokken leiden. Anders gezegd, volgens Europese wetgeving moet men van een ‘worst case scenario’ uitgaan.

 

Het voorzorgbeginsel is dankzij enkele Europese Richtlijnen (Habitat Richtlijn, 1992, Natura 2000, e.d.) in ons recht verankerd, vooral op het gebied van milieubescherming. In dit verband is ook het recht op informatie die burgers hebben, internationaal reeds met het Aarhus-verdrag uit 1998 vastgelegd.

 

 

Rechtsregels, ook voor een minister

De bescherming van onze grondrechten, het recht op bezit, veiligheid, gezondheid in een gezond leefmilieu en het recht op `due process' en `fair trial' wordt door de minister van EZK aan de spreekwoordelijke laars gelapt. “These boots are made for walking “ zong Nancy Sinatra eens, “…… these boots walk all over you”. Is het niet tijd en is het niet passend om de minister van EZK er op te wijzen en aan te spreken op het feit dat niet straffeloos de Nederlandse en Europese rechtsregels aan de laars gelapt kunnen worden? Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens spreekt op bovenstaande punten duidelijke taal in zijn artikelen en vooral in de jurisprudentie van het Hof in Straatsburg.

 

Rechtsregels en zeker wetten, geschreven rechtsregels, worden gemaakt omdat er een probleem is die om een oplossing van de overheid vragen. Van een overheid die de bescherming van grondrechten - dat van eigendom voorop - maar ook het recht op ‘fair play’ (art. 2.4 Awb), het Zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3.2 Awb), een verbod op ‘détournement de pouvoir’ (art. 3:3 Awb), het Evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 lid 2 Awb), het Gelijkheidsbeginsel, het Vertrouwensbeginsel en het Rechtszekerheidsbeginsel eerbiedigt.

 

Van een overheid die het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM) onderschrijft door in wetten vorm te geven aan mensen- en burgerrechten. Rechtsbescherming, rechtszekerheid en met name rechtsgelijkheid zijn evenwel in het Noorden ver te zoeken.

 

 

De nieuwe Mijnbouwwet kent geen waarborgen

Er zijn in de nieuwe Mijnbouwwet geen waarborgen op dit gebied ingebouwd door de wetgever: alles werd overgelaten aan het ministerie van EZ dat op dit terrein bijgestaan werd door het Staatstoezicht op de Mijnen (verder ook: SodM). Nu is voor iedereen die zich enigszins op dit terrein beweegt zonneklaar dat zowel EZ als SodM al enkele decennia een visie hebben die niet te onderscheiden is van die van de NAM (en andere mijnbouwmaatschappijen). Anders gezegd, de mijnindustrie wordt geen strobreed in de weg gelegd.

Opmerkelijk, … in het kabinet laat iedereen het ministerie en de minister van EZ/EZK zijn gang gaan, in een lange traditie. De minister van Justitie en Veiligheid heeft zich onlangs tegenover Groningers ook in die zin uitgesproken. Het was wel iets netter geformuleerd. 

 

Kenmerkend hierbij is de onlangs gedane uitspraak van Frisia Zout BV dat men nu 20 jaar ervaring heeft met de zoutwinning; men is daarmee dus ook al 20 jaar bezig met het verdoezelen van de feiten! De burgers blijven daarbij ‘onwetend’ achter en zitten nu en in de komende jaren met de schade opgescheept …

 

 

Minister komt algemene verplichtingen niet na.

Daarmee komen wij op de positie van de overheid - i.c. de minister van EZK) - als concessie- en vergunningverlener en toezichthouder op de exploitatie van de gas- en zoutwinning, als onderdeel van haar algemene verplichting om het welzijn van de burgers te beschermen en te bevorderen tegen van buiten komend onheil, schade van psychische of materiële aard.

 

Het is denkbaar dat de Staat het verweer zal voeren dat het hierbij om gevaren en risico’s gaat die een uiterst complexe wetenschappelijke achtergrond hebben en voor de minister van EZK, ondanks alle inspanning die verricht zijn, niet voorzienbaar of toerekenbaar waren.

 

Over het omgaan met onbekende risico’s door de overheid kunnen we kort zijn. Naar wij vernomen hebben heeft de overheid in het aansprakelijkheidsrecht de positie waarbij zij op gelijke voet beoordeeld wordt als wanneer het een private persoon zou betreffen; dat is in de jurisprudentie van voor de oorlog al aanvaard.

 

 

Onzorgvuldig gedrag overheid

Van Dunné wees in 2002 ook op de jurisprudentie van de Hoge Raad die vaste vorm had gekregen met de formule uit een reeks van arresten dat ingeval van de onzorgvuldige gedraging wanneer “een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de schade in beginsel gegeven is en het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan” (HR 23 nov. 2001). Korte tijd later wezen veel juristen er op dat de ‘omkeringsregel’ in het aansprakelijkheidsrecht een vaste leer geworden was.

 

De overheid - i.c. een minister - kan zich ons inziens niet meer verschuilen achter strafuitsluitingsgronden die tot doel hebben de bijzondere positie van de overheid te beschermen.

 

 

Rechtsongelijkheid

Het rapport van Alterra 1264-. volgens de brief van 27 oktober, kenmerk ETM/EM/11148543, in opdracht van de provincie geschreven - beschrijft de volgende ‘afspraken':
1. De schade aan de zeedijk wordt afgekocht en er zijn tevens afspraken gemaakt bij een overschrijding van (meer dan) twintig procent.
2. Over schade aan gemeentelijke eigendommen zijn afspraken gemaakt.
3. Op blz. 105 van het rapport lezen wij dat landbouwers bij schade een volledige schadeloosstelling tegemoet kunnen zien. De concessie voor de zoutwinning is destijds verleend omdat de schade voor de landbouw gecompenseerd zou worden.
4. De schade aan woningen wordt uitgesloten (en daarmee zijn burgers dus volledig overgeleverd aan de willekeur van bestuurders). In het rapport staat op blz. 109 bij `Transparantie effecten zoutwinning Fryslan' letterlijk geschreven: "... constateert dat het voor burgers in het bestaande krachtenveld niet gemakkelijk is om de schade te claimen ..." (brief provinsje Fryslân dd 23 Juli 2011, kenmerk 00965943)

 

Ergo: de schade die mijnbouwactiviteiten in een gebied achterlaten bij burgers laat een pijnlijke vorm van rechtsongelijkheid zien.

 

 

Staat is ook exploitant

Wij spraken tot dusver slechts over de positie van de Staat als vergunningverlener en toezichthouder. Voor de aansprakelijkheid is echter minstens zo belangrijk dat de Staat ook zelf optreedt als mijnexploitant in Nederland.

 

In het Nederlandse gasmodel participeert de overheid via EBN (doorgaans voor 40%) in samenwerkingsverbanden met gasmaatschappijen en andere investeerders in de opsporing en winning van aardgas. Een EBN die op grond van een uitspraak van de Rechtbank Assen van oktober 2016 mede aansprakelijk is (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402). Daarnaast heft de overheid tot 50% belasting op gewonnen aardgas uit kleinere velden. In totaal heeft het de Staat sinds de jaren ’60 alleen al aan aardgasbaten meer dan € 300 miljard opgeleverd. Jaarlijks was dat 5-10% van de totale Rijksinkomsten van de Nederlandse Staat.

 

En, tot onze ontsteltenis - zoals te aanschouwen was bij de beantwoording van de Kamervragen in 1997 - hebben zowel een exploitant als de minister van EZ (destijds minister Kamp) ruime mogelijkheden om zich op hun concurrentiepositie te beroepen en weten zich daarin door hun toezichthouders gesteund.

 

Daarbij wordt duidelijk dat ook de Staat rechtstreeks mede exploitant is zoals volgt uit de overeenkomst gaswinning Groningen 1963 en de Meeropbrengsten overeenkomst 1972 die dit jaar via het Dagblad van het Noorden naar buiten werden gebracht. Het is de Staat die het grootste voordeel (profijt) heeft van alle bodemactiviteiten en daarmee de Staat die de schade moet dragen die daardoor ontstaat voor de bewoners van de gebieden waar grondstoffen worden gewonnen.

 

 

Gebrek aan effectief toezicht

Binnen de publiek-private samenwerkingen waren zowel de NAM (aardgaswinning) als Frisia (zoutwinning) als exploitanten de enige partijen met een wettelijke verantwoordelijkheid voor veiligheid.

Omdat in het geval van de NAM het gas echter gewonnen werd voor rekening en risico van de Maatschap Groningen, maakte dit de maatschap ook verantwoordelijk voor de veiligheid. Bij de besluitvorming over de gaswinning werd door de partijen steeds gestreefd naar overeenstemming. De partijen stonden niet open voor kritische geluiden. Vanwege de verwevenheid tussen overheid en gassector, de grote private en publieke belangen, en het gebrek aan effectief toezicht concludeerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er onvoldoende prikkels waren om veiligheid volwaardig mee te wegen.

 

Na de deal met de minister van EZ lijken de drie noordelijke provincies `machteloos' toe te zien hoe uit de bodem van de provincies gas en zout worden gewonnen en melden zij naar de burger enkel dat deze "in Den Haag moet zijn, want die gaat daar over".

 

Bij de zoutwinning in Fryslân zegt de provincie niets te kunnen doen. Fryslân's gedeputeerde Kramer merkte tijdens de rondleiding door bodemdalingsgebied en gebiedsherstelwerkzaamheden op: "de winning wordt in Den Haag besloten". Dat lijkt waar want de provincie laat immers alles toe wat door het ministerie van EZ - en Frisia - wordt bedacht. Als voorbeeld hiervan noemen wij de zoutput, die door Frisia in overeenstemming met EZ werd heropend, Het argument van de minister mevr. Van der Hoeve was: "we hebben te weinig zout en kunnen het land niet lam leggen". Fryslân's gedeputeerde Galema liet in de Leeuwarder Courant zetten dat "zij bij de Provincie hier niets van af wisten". Duidelijker kan het niet!

 

 

Rapport Tcbb

In het rapport van februari 2018 adviseert de Tcbb - met haar nieuwe voorzitter mr. I.P.A. (Ivo) van Heijst -  de Staat om niet alleen in Groningen, maar ook in de rest van Nederland de verantwoordelijkheid te gaan dragen voor een rechtvaardige en onafhankelijke afhandeling van mijnbouwschades bij burgers, met oog voor de menselijke maat en doelmatigheid.

 

De afhandeling van mijnbouwschades behoort daarbij niet enkel en alleen een technische en juridische beoordeling te omvatten, maar dient onderdeel te gaan zijn van een integrale aanpak van schaderisico's bij mijnbouwactiviteiten. Deze integrale aanpak zou bij iedere (nieuwe) mijnbouwactiviteit moeten bestaan uit:

- een integrale en transparante beoordeling van schaderisico’s voorafgaand aan de mijnbouwactiviteiten, en
- een transparante monitoring van mogelijke schaderisico's tijdens de mijnbouwactiviteiten !!! (door ons cursief benadrukt, want dit betreft ons uitdrukkelijke punt van heldere, duidelijke monitoring en nulmetingen),
- een heldere communicatie over de schaderisico's bij mijnbouwactiviteiten, en

- een adequate, efficiënte afhandeling van eventuele schades, die tijdens of na beëindiging van een mijnbouwactiviteit optreden.

 

Ons punt is dat als een bestuursorgaan een vergunning heeft afgegeven op onrechtmatige gronden en/of daartoe geen goede schade regeling heeft getroffen - als rechtspersoon - aansprakelijk is voor schade op basis van juridische grondslagen. In dit geval betreft dat 'een onrechtmatige daad’ en kan en mag dat in de huidige tijd en onder de huidige omstandigheden niet meer ‘straffeloos’ plaatsvinden.

 

Ons argument hierbij is ook dat de schade van (semi-)overheden is afgekocht of is geregeld, zelfs voordat er schade was opgetreden. Daar was geen rapport voor nodig.

 

NB: in het overleg op 15 december 2017 is door de afvaardiging van de Tcbb - met de nieuwe voorzitter mr. Ivo van Heijst - de vraag gesteld waarom vooraf geen nulmetingen mogelijk waren … U zult onze verbazing over deze vraag begrijpen en ons antwoord daarop kunnen invullen. De Tcbb  meldde bij afscheid: “wij komen binnen 3 maanden hierop terug”, maar nog  steeds hebben wij  geen antwoord .…

En dat terwijl de Tcbb ons wel alle kopij van brieven (zie bijlage) heeft  gevraagd en ook heeft ontvangen.

 

 

Niet meten is niet-weten

De minister heeft al enige decennia het gebruik van een betere en zorgvuldiger methode van ondergrondse en bovengrondse seismologische meetsystemen met betrekking tot bevingen met kracht van de hand gewezen. De minister is daarin gesteund door overheidsinstellingen zoals de KNMI en het SodM, die elk nieuw winningsplan dat zij moesten beoordelen op dit punt niets in de weg gelegd hebben.

 

“Meten is weten!”, roepen de technici altijd, maar het omgekeerde geldt ook: “Niet meten is niet weten!”. De provincie Fryslân heeft het ministerie van EZ al in de jaren negentig gevraagd om een fijnmaziger meetsysteem in te voeren met betrekking tot bodemdaling (eveneens bij vergunningverlening). Gevraagd was om de plaatsing van ‘tiltmeters’ die veel meer en nauwkeuriger informatie verschaffen dan met de bestaande ‘waterpasmethode’ kon worden verkregen. De provincie ving daarbij bot bij het ministerie van EZ en keerde ook op haar schreden terug, de provincie had op economisch gebied in die tijd immers nog veel te verhapstukken met EZ – en dat is tegenwoordig niet anders.

 

Het was minister Jorritsma van EZ die destijds niet alleen mordicus was tegen een omkering van de bewijslast, maar ook tegen het plaatsen van tiltmeters. Wat door de minster is gemeld in de Tweede Kamer was ons inziens één en al misleiding, met grote gevolgen voor burgers om ooit een bewijs in handen te krijgen als men een rechtszaak wilde  beginnen. De burger/leek is daarmee - bijna stelselmatig en ‘valselijk’ - de wind uit de zeilen genomen. Zowel EZ als de NAM doen namelijk voor het afwijzen van aansprakelijkheid een beroep op het ontbreken van meetgegevens, van ‘concrete data’. Daarbij wordt wijselijk achterwege gelaten waarom daarvoor niet al decennia terug gezorgd kon zijn middels bijvoorbeeld de tiltmeters.

 

Op de vraag van de Stichting Historisch Harlingen: “Wat is de verklaring van de niet-voorspelde, versnelde en uitgebreidere bodemdaling bij Wijnaldum?” heeft inmiddels het SodM geantwoord gegeven (zie bijlage): “De bodemdaling als gevolg van de zoutwinning was niet in deze mate voorspeld. Dat komt doordat er geen ervaring was met de zoutlaag waaruit hier gewonnen wordt, en men het kruipgedrag van het zout flink heeft onderschat. Inmiddels is die ervaring er wel: onder de Waddenzee wordt uit hetzelfde zout gewonnen als bij de eerdere vijf cavernes van Frisia”.

 

En … t.a.v. het gasveld nabij Wijnaldum: “Vermilion heeft dit gasveld overgenomen, maar produceert er niet langer uit, omdat ook hier sprake was van onverwachte en onverwacht sterke bodemdaling. Hier is de oorzaak gelegen in verkeerde aannames omtrent de eigenschappen van de kalklaag waaruit het gas werd gewonnen”.

 

Ergo: “niet meten is niet-weten” en het is nog maar de vraag welk ‘inzicht’ en ‘ervaring’ er inmiddels bij de Overheid is opgedaan en wat het ‘voortschrijdend  inzicht van de minister’ concreet gaat inhouden voor de burgers die schade hebben.

 

 

Toezichthouder belooft, ontkent en laat na

Ook het punt van de intensiteit-metingen kent een lange traditie van toezichthouders die beloven, ontkennen en nalaten. Bij de vragen van Friese Kamerleden in 1997 aan de minister van EZ kwam ook het optreden van het KNMI op dit punt aan de orde.

 

Het ministerie neemt dat instituut geheel in bescherming. In zijn antwoord beschrijft de minister de EMS-schaal en stelt dan: “Om tot een goede beschrijving van de gevolgen te komen wordt de bevolking ter plaatse gevraagd deze gevolgen te beschrijven door middel van een enquête. De vragenlijst, die door het KNMI wordt gebruikt, wordt in vergelijkbare vorm ook toegepast elders in Europa. Het KNMI voert aan de hand van de beantwoorde lijsten het middelingsproces uit om tot de intensiteit te komen, dit zijn dus de gemiddeld waargenomen gevolgen”.

 

De Tcbb meldt in haar rapport van 2018 dan ook terecht:

- De zoutwinning in Friesland, tussen Franeker en Harlingen, vindt plaats op een diepte van 2,5 tot 3 km. Dit heeft in de periode 1995- 2005 geleid tot een bodemdaling van ca. 0,35 m in het hart van het zoutwinningsgebied, d.w.z. gemiddeld 35 mm/jaar, dus vijf keer zo veel als in Groningen; 

- Bij zoutwinning is in het verleden sprake geweest van schade aan gebouwen en opstallen door een ongelijkmatige bodemdaling als gevolg van instabiele cavernes. Door een vorm van monitoring van de bodembeweging en -trillingen met tiltmeters en het op tijd treffen van maatregelen zou dat voorkomen kunnen worden.

 

 

Misleiding leidt tot Manifest

De misleiding, de ‘valselijke’ voorlichting, door de minister blijkt ook uit het feit dat de provincie Fryslân - samen met alle Friese gemeenten - nu een Manifest van Friese overheden over gas- en zoutwinning hebben opgesteld en ondertekend (zie bijlage).

 

De opmerking van Deltares dat “metingen achteraf nooit kunnen vaststellen wie de veroorzaker van schade is” en de Tcbb - in het overleg in december 2017 - ons verbaasd vraagt “waarom er geen nulmetingen zijn uitgevoerd” heeft ons burgers pijnlijk bewust gemaakt hoe we door de minister zijn belazerd.

 

Wat door de minster is gemeld in Tweede Kamer was één en al misleiding, met grote gevolgen voor burgers om ooit bewijs in handen te krijgen als men het niet eens was met uitspraken van de Tcbb en een rechtszaak wilde beginnen. Er was immers “geen bewijs want er is vooraf niet gemeten” …

 

Daar inmiddels ook de provincie Fryslân en alle Friese gemeenten nu nattigheid voelen, heeft geleid tot het opstellen en indienen van een Manifest. Een duidelijker reden dat ook de provinciale en gemeentelijke bestuurders zich belazerd voelen, is er niet!

 

 

Aansprakelijkheidsstelling
Daarmee komen wij tot slot op de positie van de overheid - i.c. de minister van EZK - als concessie- en vergunningverlener en toezichthouder op de exploitatie van de gas- en zoutwinning, als onderdeel van haar algemene verplichting om het bezit en het welzijn van de burgers te beschermen en te bevorderen tegen van buiten komend onheil, schade van psychische of materiële aard.

 

Via de concessievoorwaarde is de Staat mede-exploitant geworden, met alle gevolgen van dien voor de aansprakelijkheidsvragen die zich voordoen. Al met al een reden om de Staat rechtstreeks aansprakelijk te stellen voor schade veroorzaakt aan derden door de gas- en/of zoutwinning (brief st. Winamer Belang dd 14 dec. 2015 aan minister Kamp).

 

Het ministerie van EZK met het Staatstoezicht op de Mijnen is tekortgeschoten in maatschappelijke zorgvuldigheid en heeft dus onrechtmatig gehandeld.

 

In het licht van het voorgaande, verzoek ik u ons op korte termijn uw beslissing omtrent opsporing en vervolging van de minister van EZK kenbaar te maken. Een spoedige rechtshandhaving dient immers gerekend te worden tot een positieve verplichting van het ministerie van Justitie en Veiligheid tot bescherming van burgers.

 

 

Strafbare feiten minister

(NB: argumenten zijn mede gehaald uit: uitspraken.rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2017:3248).

 

Een fors aantal burgers hebben - in verschillende media - een persoonlijke relaas gedaan over de impact die aardbevingen en -trillingen op hun persoonlijke leven hebben gehad. Burgers maken gewag van financiële zorgen, psychische problemen, gevoelens van onveiligheid, woede en machteloosheid.

 

Met betrekking tot de vraag of een vervolging opportuun is, stellen wij dat op de minister een uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende positieve verplichting rust om maatregelen te treffen die bijdragen aan de effectieve bescherming van de uit het verdrag voortvloeiende rechten. In casu zijn de artikelen 2 (het recht op leven), 3 (verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling) en 8 (recht op respect voor privé- en familieleven) van het EVRM in het geding.

 

Dat legt op de Overheid (op z’n minst) een procedurele verplichting op tot het instellen van strafrechtelijke vervolging, daar de civielrechtelijke mogelijkheden tot het verkrijgen van schadevergoedingen en de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedures burgers onvoldoende beschermen.

 

Fatsoenlijk, onafhankelijk en deskundig onderzoek naar de aanwezigheid en bewijsbaarheid van feiten is naar onze mening tot nu toe - ten onrechte - minimaal of zelfs achterwege gebleven.

 

Alternatieve wijzen van genoegdoening of sanctionering zijn - inderdaad, Alterra - “niet gemakkelijk” of niet mogelijk gebleken, waardoor wij het inzetten van het strafrecht als het ultieme remedium zien.

 

Wij verzoeken u de minister van EZK - mede gezien bovenstaande argumenten - op te sporen en te vervolgen voor schade van psychische en/of materiële aard.

 

 

 

Met vriendelijke groet,

Rinze Post 

|Doorsturen