Nieuws

Zo’n verhaal van Marten Blom: De appel valt nooit ver van de boom

De appel valt nooit ver van de boom.

Zijn vader had hij nooit gekend. Niet bewust, in elk geval. Nu, op zijn dertiende verjaardag, kwam zijn leven op een kruispunt. Het was de leeftijd waarop hij andere jonge mannen en vrouwen aan de slag zag gaan om bij een leermeester een vak te leren. Als ze genoeg geleerd hadden, begonnen ze voor zichzelf en een aantal jaren later trouwden ze en hadden zomaar een stel kinderen, voordat ze goed en wel de twintig waren gepasseerd. Let wel: we hebben het hier over een ander land, in een andere tijd, dus: don’t try this at home.

In elk geval heette hij Gideon en het kruispunt waarop hij zich bevond was voor zijn leeftijdgenoten helemaal niet zichtbaar. En als Gideon zijn vader wel had gekend, was het misschien ook allemaal anders gelopen en had hij, net als de anderen, het leven ook gezien als één lange weg die het leven in tweeën spleet en niet als de reeks kruispunten, rotondes, u-bochten en andere verkeerscomplicaties die kennelijk alleen op zijn pad moesten verschijnen. Aan de ene kant had Gideon zich altijd afgevraagd waarom zijn leven nooit eens ‘normaal’ kon verlopen en aan de andere kant wist hij ook wel dat ‘normaal’ gewoon een ander woord voor ‘oersaai’ was.

Zo kwam het dus dat hij zich nu op dit voor anderen onzichtbare kruispunt bevond. Rechtdoor was de weg naar een vak leren, werken en een gezin hebben. Links en rechts waren volledig onduidelijk en waren op dit kruispunt zodanig in een dikke mist gehuld dat ze alleen voor Gideon te zien waren. Gideon krabde over zijn achterhoofd, bedacht honderd-en-één redenen om links te gaan en honderd-en-twee redenen om naar rechts te gaan. Toen besloot hij om op een impuls naar links te gaan. Gideon had een tent en een kant en klaar kampvuur mee, en zo kon hij drie weken lopen. Hij was in een vallei gearriveerd waar grasvelden welig tierden en de rotswanden om hem oprezen als de zijkanten van een emmer om een mier. Midden op de bodem van deze rotsemmer stond een appelboom. Gideon sloeg zijn kamp op onder deze appelboom en viel prompt in slaap, omdat hij zo lang gelopen had.

De volgende ochtend werd hij wakker met een razende honger. Al zijn voorraden waren op en het enige eetbare was één miezerige appel die nog aan het armetierige appelboompje hing. Gideon plukte het appeltje van de boom en zonk zijn tanden, door de schil, in het best wel zure vruchtvlees. Meteen veranderde er iets. Waar Gideon eerst tegen het boompje had opgekeken, keek hij er nu recht tegen aan. Hm, interessant, dacht hij. Wordt het boompje nu kleiner? Bij de volgende hap appel kwam het boompje tot aan zijn middel. Maar op hetzelfde moment viel zijn blik op zijn opeens kleine tent en kampvuur en dat was het moment dat het muntje viel; hij werd groter!  En wel bij elke hap appel die hij tot zich nam.

Bij de volgende hap was hij drie keer zo groot als het boompje, en de appel leek nu zo klein dat hij bijna tussen zijn vingers vandaan glipte. Gideon slikte de appel in één keer door zijn keelgat en groeide zo explosief dat hij bijna klem kwam te zitten in de vallei. Hij ging maar even op de rand van de vallei zitten en plaatste zijn voeten heel zorgvuldig niet op het appelboompje.  Ondertussen zag hij vanuit zijn ooghoek iets bewegen. Iets groots. Wat hij had aangezien voor een bergflank, bleek een enorme kerel te zijn. Een reus, net als Gideon. De reus staarde somber in de verte en bij Gideon flitsten er wat heel verre herinneringen aan zijn geestesoog voorbij.

‘Vader?’ zei hij aarzelend. ‘Pap? Ben jíj dat?’

‘Gideon?’ zei de reus. ‘Wat doe jij hier?’

‘Jou zoeken, natuurlijk!’ zei Gideon. ‘Wat is er met je gebeurd?’

‘Hetzelfde wat jou is overkomen, denk ik, zoon!’ zei zijn vader. ‘Ik at een appeltje van een appelboom en toen werd ik zo groot als een berg! Tot overmaat van ramp raakte ik mijn bril kwijt en toen durfde ik me niet meer te bewegen, uit angst dat ik een stad zou platstampen, of nog iets ergers!’

‘Maar hoe heb je het al die jaren uitgehouden hier?’ zei Gideon. ‘Járen?’ zei zijn vader verbaasd. ‘Ik ben toch nog maar een paar wéken...’ De verbazing op zijn gezicht maakte plaats voor plotseling inzicht. ‘De tijd...’ zei hij, ‘die gaat langzamer als je zo groot bent als wij, nu. Maar voor de rest van de wereld raast de tijd voorbij! Tien weken hier zijn tien jaar voor jou en je moeder geweest!’

‘Nou pa,’ zei Gideon, ‘de hoogste tijd om weg te wezen, hier dus!’

‘Ja’, zei pa. ‘We hebben alleen twee problemen: ik ben mijn bril kwijt en we zijn allebei nog reuzen!’ ‘Ik denk dat ik die twee problemen wel kan oplossen, pa’, zei Gideon. ‘Ik kijk gewoon voor jou en ik zie dat er nog wat appelboompjes achter deze berg staan. Alleen staat hier een bordje bij: moobleppa staat er!’

‘Appelboom - achterstevoren geschreven. Denk jij wat ik denk, zoon?’ zei pa. ‘Ik heb geen idee wat jij denkt’, zei Gideon droog. Zijn vader plukte met duim en wijsvinger één appelboompje uit de grond en scheurde die in tweeën. Hij schoof één helft zelf achter zijn kiezen en begon te kauwen. De andere helft gaf hij aan zijn zoon met de mededeling: ‘Hier - wordt je klein van.’ En het werkte. Ze waren al gauw zo groot als heuvels, vergeleken met de bergen en daarna net zo groot als de appelbomen. Ze waren ondertussen naar huis gelopen en zo zag de moeder haar zoon en man terugkeren. Ze waren vlakbij haar, toen ze nog wat verder krompen, totdat ze zo klein als dwergen waren.

‘Oh-oh!’ zei Gideon. ’Daar gaan we weer! Mam, breng ons snel weer terug naar de appelbomen!’ Maar zijn moeder zei: ‘Ben jij gek? Jullie zijn veel beter in de hand te houden, zo!’

Einde.

 

|Doorsturen

Uw reactie


Buienradar



Agenda