Nieuws

Goede vrijdag?

Zo’n stukje van Marten Blom

Goede vrijdag?

Goede vrijdag. Ik loop met mijn moedertje van haar flatje naar mijn auto. We hebben vrij intens met elkaar gesproken en dat kan ik voelen. Het heeft iets met de medicatie te maken, maar hoe en waarom weet ik niet. ‘Mam’, zeg ik. ‘Het is een goed gesprek, maar we moeten even wat rustiger praten. Ik moet even kalm zijn als ik weer naar huis ga rijden.’ Want ik voel het in mijn lijf. Niet alleen ons gesprek zorgt er voor dat mijn rechterbeen verkrampt. Ook de gedachte dat ik nog meer dan anderhalf uur naar huis moet rijden, zorgt voor zo’n fysieke reactie dat ik met o-benen naast mijn kromgegroeide moeder voort hobbel. Als een dronken krab. Of als een spin met maar drie poten.

 

Als ik begin met rijden, nu nog in de bebouwde kom, voel ik hoe mijn armen zich spannen, waardoor ik tegen mijn stuur duw en mezelf diep in mijn stoel pers. Ik vloek binnensmonds, maar koester de gedachte dat het straks beter gaat op de snelweg. Ik verwacht niet veel drukte en ga ervan uit dat ik het grootste stuk op cruise control kan rijden, zodat mijn krampende been wat rust krijgt. Vanaf de invoegstrook zie ik het verkeer al als dikke stroop vertragen. File. Bij het idee al dat ik op zijn minst het komende kwartier geconcentreerd tussen 1 en 2 moet schakelen en koppelen verstijft mijn rechterbeen en duw ik zo hard tegen mijn stuur, dat ik met gestrekte armen naar achter wordt gedrukt. Elke vorm van subtiel door het verkeer bewegen wordt onmogelijk. Ik laat de koppeling te laat opkomen. Ik schakel te laat, waardoor de motor brult. Als het verkeer weer op gang komt moet ik noodgedwongen achter een vrachtwagen blijven hangen omdat ik mijn hoofd niet snel genoeg kan draaien. Doordat mijn nek nu ook verkrampt mis ik de reactiesnelheid om snel in te kunnen halen en in te voegen tussen de stroom inhalers op de linkerbaan.

 

Niet veilig

Als ik eindelijk een baan op kan schuiven, begin ik uit te kijken naar een tankstation. Ik zie een bord met de plaatsnaam waar mijn neef Kees woont. Twee jaar geleden was ik ook al eens bij hem aangespoeld. Ook toen was het druk geweest op de weg. Ik was met open armen ontvangen en ging toen een paar uur later weer op pad. Maar deze keer wil ik niet een paar uur later naar huis. Bij het eerstvolgende tankstation stop ik. Ik zit even stil in de geparkeerde auto en probeer het van me af te zetten. Dat lukt niet. Ik moet het van me af  praten, realiseer ik me. Anders gaat het niet weg. Maar Jezus, met wie moet ik dan praten?

 

Vanuit de auto kan ik nog enigszins anoniem om me heen kijken. Ik zie een vader, jonge zoon en opa eten en lachen aan een picknicktafel. Het is een uitnodigend tafereel. Een stukje verder zie ik een echtpaar met  zoon. Normaler kunnen mensen er niet uitzien. Ik merk dat de situatie verandert als ik het portier open en onhandig van de kramp overeind kom. Mijn nog steeds zoekende blik wordt nu opgemerkt door een vrouw met kind, vlakbij een andere picknicktafel. Ondertussen proberen mijn gedachten het bij te benen. Die vrouw, zou ze genoeg inlevingsvermogen hebben om mijn verhaal te kunnen begrijpen? Door mijn gepeins kijk ik te lang en met een vluchtige frons draait ze zich om en loopt een andere kant op. Parkeerplaatsen bij tankstations voelen niet veilig, realiseer ik me. Het dringt tot me door dat mijn zoekende blik en manke loop niet geruststellend oogt. Ik kan het me niet meer permitteren om nog meer ongewenste aandacht te trekken en sluit eerst de auto af. Dan loop ik naar het meest normaal ogende gezin tot nu toe. De moeder merkt mijn komst meteen op en zegt iets tegen haar man. Als die ook naar me kijkt, zeg ik meteen hallo. Hoe nu verder? ‘Ik wil even iets zeggen’, hoor ik mezelf tegen de man hakkelen. ‘Ik moet even iets kwijt over wat me net overkomen is. Kan dat?’

 

Verwonderde glimlach

‘Eh, nou’, zegt de man. ‘Niet lang. We moeten zo direct wel verder.’ ‘Het hoeft ook niet lang’, zeg ik. ‘Zullen we even bij deze tafel praten?’ Hij stemt ermee in en ik steek van wal. Dat ik Parkinson heb. Dat ik dit bij het rijden nog nooit heb gehad. Het klinkt me in de oren alsof ik me daarvoor wil verontschuldigen. Wat natuurlijk nergens op slaat. Wat kan ik hier nu aan doen? Aan de andere kant: wat heeft híj hier nu mee te maken? Maar mijn woorden beginnen effect te sorteren. Zijn houding verandert van beleefde tegenzin naar iets wat ik me voorstel als begrip voor mijn situatie, maar nog steeds met een gevoel van urgentie om dit afgehandeld te hebben. Zijn reacties zijn vriendelijk, maar zo minimaal dat ik besluit om het gesprek te blijven leiden. Ik bedank hem voor zijn tijd en zeg dat ik het nu een beetje kwijt ben. Dat ik wat te eten ga halen bij het tankstation en dan nog een tijdje rustig ga zitten voordat ik weer ga.

 

Op weg naar het tankstation springt de stress weer op me af. Als ik denk aan hoe ik achter het stuur zat, reageert mijn lijf weer. Mijn rechterbeen buigt niet mee, waardoor ik voor mijn gevoel op een groteske manier rondhobbel. Twee vrachtwagenchauffeurs kijken naar me. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik wat kwijt moet, dat het de enige manier is waardoor ik mijn hoofd en daarmee mijn lichaam tot rust kan brengen. Ik bedenk me dat deze kerels zodanig groot zijn dat ik in elk geval geen bedreiging voor ze vorm. Ik loop nu naar ze toe en vang hun blik. Ze kijken met een verwonderde glimlach naar mijn steeds manker ogende loop en wat laat komt de gedachte binnen dat zíj eerder een bedreiging voor míj kunnen vertegenwoordigen.

 

‘Kan ik wat zeggen tegen jullie?’ zeg ik. ‘Kunnen jullie me misschien ergens mee helpen?’ Ze kijken me nog steeds sullig glimlachend aan. ‘Spreken jullie Nederlands?’ vraag ik. Ze schudden hun hoofd en ik groet beleefd terwijl ik me omkeer. Ik voel me nu zodanig ongemakkelijk dat mijn lijf nu helemaal alle kanten op gaat. Ik ben kwaad op mezelf omdat ik die twee aansprak. Tegelijk ben ik kwaad op die gasten. ‘Help’ is een woord dat in vele talen voor komt. Maar niet in die van hun blijkbaar. Ach ja, wat ben ik voor hen?

 

Benzineman

In de  shop van het tankstation pak ik een beker ijskoffie. Als ik ga afrekenen zie ik dat er enkele werkneemsters van de shop met elkaar staan te praten. De man achter de kassa is een baken van rust en groet me beleefd. Vastbesloten om te halen waar ik voor kwam zeg ik: ‘Hallo, kan ik even met iemand praten; misschien één van uw collega’s daar? Ik heb net iets meegemaakt en dat moet ik even kwijt.’ De man komt snel in actie. Hij laat een collega zijn taak overnemen en biedt me een stoel aan. Hij vraagt me of ik naast de koffie nog iets anders wil en laat me mijn verhaal doen. Hoewel hij nog nooit van de ziekte van Parkinson heeft gehoord, heeft hij al gauw door dat ik, door er alleen maar over te praten, al in de stress schiet en druk ga bewegen.

Nu hij enigszins begrijpt wat er aan de hand is, doet hij iets wonderlijks: hij leidt me af. Hij vraagt me of ik kinderen heb. En nadat ik vertel over mijn zoon, vertelt hij over zijn kinderen en zijn vrouw. Dat hij uit Egypte komt en hier alweer twintig jaar woont. Hij heeft geen haast, zegt hij. Wil ik nog iets anders, behalve koffie? Trouwens, die koffie hoef ik niet te betalen. Wil ik nog even praten? Ja, zeg ik. En we praten nog even. Hij zegt iets grappigs en voor het eerst valt de spanning als een zak met lood van mijn schouders. Hij adviseert me om voortaan een tablet mee te nemen. Heb ik iets te doen als ik weer in zo’n situatie zit. We wisselen visitekaartjes uit. Ik zeg dat ik naar de auto ga en bedank hem. Hij vraagt of hij nog even mee moet lopen, maar ik sla zijn aanbod beleefd af. Als ik na een tijdje weer ga rijden, komt er een warm gevoel over me. Het is de wetenschap dat er mensen zoals deze pompbediende bestaan. Mensen die je het gevoel geven dat je er mag zijn, zonder dat je daar wat voor hoeft te doen. De spanning in mijn lijf valt nu helemaal weg en ik zet de radio aan. Naarmate de weg rustiger wordt, gaat de radio harder en ik brul soms lachend een liedje mee. Eenmaal thuis bel ik de benzineman op. Het duurt even voordat hij terugbelt. Het was razend druk geweest, die avond. Maar hij was blij dat ik belde. Hij had zich wel afgevraagd hoe dat was afgelopen. We wensen elkaar en onze gezinnen een goed weekend toe. Ik vertel hem dat hij goud waard is. Hij zegt dat het normaal is wat hij deed. En ik vertel hem, en ik weet, dat het niet normaal is. Dat niet iedereen dat doet.

 

|Doorsturen