Nieuws

Zo’n stukje van Marten Blom

Rijksmuseum

We zijn in het Rijksmuseum. De Nachtwacht, waar we toch eigenlijk voor zijn gekomen, wordt grotendeels aan het zicht onttrokken door een monsterlijk groot scanapparaat. De stukken aan de linker- en onderkant waar het apparaat niet voor zit, worden alsnog onzichtbaar gemaakt door de schaduw van de scanner. Heel toepasselijk allemaal, voor een schilderij met zo’n titel. Alleen ergens rechts zien we nog wat verdwaalde schutters bedremmeld naar hun vrienden in het donker kijken. Gelukkig hangt links van het forse schilderij een kopie ter grootte van een A4tje aan de wand. Er staat een begeleidende tekst bij, maar ik neem niet eens de moeite om mijn leesbril tevoorschijn te toveren bij het zien van de mensenmassa die zich daarvoor verdringt. In plaats daarvan bekijk ik een werk waar niet zoveel volk voor staat. Het is een langwerpig schilderij, smal in de breedte en hoog in de lengte. Het valt me op dat de figuren op ooghoogte kleiner geschilderd zijn dan die erboven. Sterker nog, de figuren daar weer boven zijn nog groter geschilderd. Dat doet me denken aan ‘de David’ een beeld van Michelangelo. Die is aan de bovenkant ook groter dan onderaan, omdat het de bedoeling is dat je er van onderen tegenaan kijkt. Ik schiet een suppoost aan en ik vraag hem of bovenstaand verhaal juist is. De man kijkt naar het werk alsof hij het voor de eerste keer in zijn leven ziet en zegt: ‘Nou, ja, dat kan wel kloppen, hoor. Dan hebben ze die bovenste extra groot gemaakt, zodat je kan zien dat ie de baas is.’ Ik kijk de man even zwijgend aan en bedank hem vervolgens. Dat was niet precies wat ik bedoelde. Verder kuierend bewonder ik de eregalerij. Die is eigenlijk nog mooier dan de schilderijen die erin hangen. Elke vierkante centimeter van de ruimte is bedekt met trompe l’oeil technieken die de illusie wekken van bakstenen, tegels en stalen balken. Ook grote muurschilderingen in een negentiende eeuwse stijl zijn aangebracht op de wand- en plafondvlakken waar geen schilderijen hangen. Geen wonder dat de verbouwing zoveel tijd heeft gekost. Het museum imponeert al bij binnenkomst. Grote, abstract aandoende poorten scheiden de informatiebalies en garderobes van de rest van het museum. Boven ons hangen reusachtige witte staande balken, alsof de stenen van Stonehenge daar een luchtdans opvoeren. Voorbij de eregalerij ga ik met mijn vrouw ‘shoppen’, waarbij we ons verbeelden dat de eeuwenoude hemelbedden en met walnotenhout ingelegde dressoirs voor Xenos-prijzen te koop staan. Bij de prachtige oude bibliotheek wijs ik mijn vrolijk voortbabbelende schoonvader op het ‘stilte, AUB’-bord. ‘Ik praat toch zachtjes?’ zegt hij gebelgd. Het wordt in de loop van de middag steeds drukker. Mijn schoonvader en ik beginnen te strompelen; het is mooi geweest. Buiten komen we in de museumtuin terecht. Er  staan mensen achter ezels te schilderen en overal zitten mensen in comfortabele tuinstoelen. Even verderop is een bijzonder soort fontein. Uit gaatjes in de grond spuiten waterstralen recht omhoog, elke paar minuten vanuit een andere reeks gaatjes. Het blijkt een onuitputtelijk vermaak te zijn, voor zowel de deelnemers als de toeschouwers. De deelnemers proberen zich droog te houden en de toeschouwers schateren het uit, telkens als het mis gaat. Met name een jong paartje op de bank naast mijn schoonouders blijven er bijna in. Ze klinken door en door Amsterdams en zijn nogal aanstekelijk. In de tram op de weg terug wijzen we onze zoon allerlei dingen aan van vroeger. Het was een mooie dag.        

 

|Doorsturen