Nieuws

Een Harlinger crime passionnel - deel 1

Nog een paar sigaartjes voor Ype de Graaf

Het is vrijdag 23 maart 1860. Harlinger Ype de Graaf schuift een groen gordijntje opzij van de ruimte in het Paleis van Justitie, zetel van het Gerechtshof en de Arrondissementsrecht, aan het Wilhelminaplein in Leeuwarden. Het is die vrijdag markt in de stad en er zijn 20.000 mensen - en een beul - voor hem gekomen...

Door Eddy de Vries

De haven van Harlingen ca 1858, door Hermanus Siderius. (Bron: Hannemahuis)

Ype wordt geboren in Workum op 10 augustus 1812, maar zal het grootste deel van zijn leven doorbrengen in Harlingen, wanneer hij tenminste niet in de gevangenis zit. Hij is de zoon van Bauke Arjens de Graaf en Weltje Jans Timmerman en is het vierde kind dat in het gezin geboren is. De woning in de Hongarensteeg was van de Roomse Gemeente en het gezin woont hier met nog drie andere gezinnen. Hij is een jongen die zal opgroeien voor galg en rad.

In 1831 zal hij, wanneer hij 18 jaar jong is, voor het eerst worden veroordeeld en een tuchthuisstraf van twee jaar krijgen voor het plegen van meerdere diefstallen. Het zal niet zijn laatste keer zijn. Na twee jaar gaat het weer mis, Ype wordt meedogenlozer en zijn wandaden worden ernstiger. Het lijkt hem niet te deren en de daaropvolgende straffen accepteert hij. Onverbeterlijk. Het jaar erna, krijgt hij het bericht te horen dat zijn moeder is overleden. Zij is op 12 januari 1834, ’s ochtends om half zeven in het water gevonden. Ze is verdronken en gevonden in de Brouwersvaart in Workum.

 

Sjouwerman

In Harlingen behoort hij tot de onderklasse, hij vindt er werk als dijkwerker en als sjouwerman, het laden en lossen van de schepen in de haven. Het is in de tijd van onder meer het aardappeloproer van juni 1847. Na de mislukte oogsten stijgen de prijzen van aardappelen zo hoog, dat deze onbetaalbaar zijn geworden voor de arme bevolking. Er heerst hongersnood in de armste buurten van de havenstad. Zelfs het roggebrood is niet verkrijgbaar en dat terwijl er schepen vol voedsel in de Harlinger havens liggen voor de export. De paupers uit onder andere de Bargebuurt zien dit met lede ogen aan, totdat een woedende menigte rond 8 uur ’s avonds een stoomboot vol aardappelen bestormt. In dat jaar zal Ype voor het plegen van meerdere delicten, op het Wilhelminaplein in Leeuwarden, met een strop om de hals worden afgeranseld door de beul met een bullenpees; de gedroogde penis van een stier. Ook wordt hij gebrandmerkt. Voor de rest van zijn leven heeft hij ‘TP’ in de muis van zijn hand getatoeëerd gekregen. Het brandmerk TP, Travaux Perpétuels, oftewel ‘eeuwige dwangarbeid’ is met een gloeiend hete pook aangebracht, waarna de beul de wond met buskruit in heeft gesmeerd. Hierdoor zal het voor altijd duidelijk zichtbaar blijven. Het zal Ype echter niet tot inkeer brengen.

 

Kermis

In de achterbuurten van Harlingen vindt hij onderdak bij Murk Jans, een maat van hem en een oomzegger van Ype. In de jaren 50 van de negentiende eeuw, wanneer hij ongeveer 40 jaar oud is, ontmoet hij Aafke Monsma op de jaarlijkse kermis. Aafke is de dochter van Tjietske Cornelis Monsma en een onbekende vader en wordt zondag 28 februari 1830 geboren in de Wortelstraat. Zij zal opgroeien in de Bargebuurt en behoort, net als Ype, tot de armste klasse van de stad. Ze vindt haar werk op straat, ze lost schepen en ze sjouwt op markten. Ook haar vinden we terug in de rolboeken van de rechtbank. Op 23 januari 1847 wordt ze veroordeeld voor de diefstal van een ‘vrouwenjak’. Haar straf is drie maanden cel.

De armoede vreet aan het stel en Ype lijkt zich in te kunnen houden van zijn tot dan toe zondig bestaan. Ze zwerven van woning tot woning in de stad, een onzeker bestaan. Ze trouwen niet; geen geld en Ype ziet het belang er niet van in. Op woensdagochtend 1 oktober 1851, rond tien uur, bevalt Aafke van een zoontje; Jan. Vroedvrouw Dirkje van Echten ondertekent de aangifte. Het zoontje zal niet oud worden en zal negen maanden later komen te overlijden, ’s ochtends om 8 uur op 19 juli 1852 op Kerkpoortstraat 23.

 

Nog geen vijf maanden later bezwijkt Ype voor de verleiding van een diefstal van aardappelen van de boerenknecht Anne Zeinstra van Midlum. “Ik verrichtte de daad uit grote armoede en gebrek”, zal Ype verklaren tegenover de rechter. Vonnis: drie maanden gevangenisstraf en het betalen van de proceskosten. In maart van het jaar daarop, mag Ype terug naar Harlingen. Terug naar zijn Aafke. Op 2 januari, tijdens Ype’s gevangenschap, is in de Scheerstraat hun dochtertje geboren; Tjietske. Vernoemd naar Aafkes moeder.

 

Tuberculose

Een meisje met een kansarme toekomst. Met een alleenstaande moeder die hard zal moeten werken om hun beider hoofd boven water te houden. Het leven is hard en oneerlijk. Vanaf elk punt waar de armoedige inwoners van de stad wonen, is het maar kort lopen naar de herenhuizen van de patriciërs aan de Noorderhaven of de Voorstraat. Het gepeupel woont in de achtertuinen van de dure huizen en ziet hun rijke bewoners langs de straten paraderen of in hun koetsjes over de keien rijden. Het snijdt hen door de ziel. De stad kent zoveel inwoners, het is lange tijd de meest dichtbevolkte stad van het land. Rond die tijd zijn er voor de ongeveer 10.000 inwoners slechts ongeveer 1800 woninkjes beschikbaar. Grotendeels van hout en bestaand uit één woonkamer en soms twee bedstedes. Het eten bestaat vaak uit dat wat er maar te vinden is, zoals alikruiken. De vaak grote huishoudingen gaan alikruiken zoeken tussen de stenen van de dijksglooiing.

Tijdens stormen en regen staat men doodsangsten uit en niet dikwijls gaat er een woninkje daardoor tegen de vlakte. Ook houdt men het binnen niet droog. De begraafplaats is overvol. Door diverse crisissen is de situatie bijna onhoudbaar. In de Harlinger straatjes en steegjes woont men hutjemutje. Velen overlijden aan epidemieën zoals cholera of darmziekten. Tuberculose zal dan uitgroeien tot de meest dodelijke van de ziekten. De stank door ziekten, uitwerpselen en industrie moet ondraaglijk zijn geweest. Het werk ging dag en nacht door zoals in de visrokerijen in de buurt. ’s Nachts werken daar vaak de armsten en de kinderen, die dan weer overdag hun waar aan de man proberen te brengen.

 

Geseling

Uitzicht op een beter bestaan is er niet. Ook voor het gezin van Ype en Aafke niet. Maar deze keer komt Ype thuis met een doel. Zijn Aafke en Tjietske. Zijn gezin. Maar de armoede is blijvend en ook hij, net als vele andere Harlingers die hun salaris uitbetaald krijgen in een café, zoekt zijn heil in de jenever. Hij ziet geen andere oplossing dan weer op het dievenpad te gaan, ook al heeft hij zijn Aafke nog zo beloofd op het rechte pad te zullen blijven en te zorgen voor het gezin. In april 1854 wordt hij voor de derde keer in zijn leven veroordeeld, tot de beschamende straf van een openbare geseling op het Wilhelminaplein en tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Hij zit deze straf uit in het tuchthuis van de Blokhuispoort. En wederom is ook een brandmerk zijn deel, nu op zijn andere hand. Na zijn straf te hebben uitgezeten in mei 1859 haast hij zich om de trekschuit te halen, terug naar Harlingen. Hij is net 46 jaar oud geworden. Terug naar zijn Aafke die dan nog geen dertig jaar oud is en al die tijd voor hun dochtertje heeft moeten zorgen. Aafke weet dat Ype terug zal komen naar haar, maar ze wil hem niet meer. Het leven is zo al zwaar genoeg en ze wil de gewelddadige en agressieve Ype niet meer terug. Hoe vaak heeft hij haar al niet toegezegd op het rechte pad te zullen blijven.

 

Slaapplaats

Hij realiseert zich dat hij niet zomaar weer bij Aafke en hun dochtertje op de stoep kan staan. Zijn dochter die nog maar slechts één jaar oud was toen hij haar voor het laatst zag, moet nu kunnen lopen en praten. Hij is nieuwsgierig naar haar, maar durft niet aan te kloppen dus gaat Ype weer naar het huis van Murk Jans in de Bargebuurt. Maar die laat hem niet meer binnen. Er zit voor hem niet anders op een ander onderkomen te zoeken. Hij vindt onderdak bij zijn broer en echtgenote, en de ouders van Murk; Jan Baukes de Graaf en Aafke Murks van Slooten. Hij is slaapsteehouder aan het Molenpad en heeft nog wel een slaapplaats over. Geen eigen kamer, maar een ruimte waar men kan overnachten in een gemeenschappelijke slaapruimte. Ype weet werk te vinden als dijkwerker. Het zal niet lang duren voordat Aafke en Tjietske, Ype in de stad zullen treffen. Het is tijdens de jaarlijkse kermis dat Ype hen aanspreekt en voor het eerst zijn dochtertje van dichtbij kan zien en aanraken. Aafke zal zijn geschrokken, maar is kwetsbaar en staat er alleen voor in het rauwe bestaan in de wereld van de havenstad. Maar gedrieën keren ze weer naar het huis van Murk Jans en Geertruida Sanft die hen nu wel binnenlaten. Het lijkt een tijdje goed te gaan die zomer en na een tijdje trekt het kleine gezinnetje weer in bij Ype’s broer Jan, die een huisje heeft achter de Grote Kerk.

 

Binnenkort deel 2.

De overlijdensakte van Jan Monsma met de handtekening van Ype de Graaf. (Bron: Alle Friezen)

|Doorsturen