Nieuws

HET STUKJE VAN DE WERELD door Marten Blom

In ‘Het Stukje Van De Wereld’ ga ik op zoek naar lokaal nieuws vanuit stukjes van de wereld waar we niet zo vaak iets van horen. Ook persoonlijke ervaringen van Nederlanders over de grens komen aan bod. Deze week een verslag uit India van iemand die het niet nodig vindt om zijn naam erbij te zetten.

Trouwfeest en apen

Mijn werk is eigenlijk alleen maar in het buitenland en dan regelmatig in de industriegebieden en de daaromheen liggende woonwijken, waar je beter kunt zien hoe het er in een land echt aan toegaat dan bijvoorbeeld in de toeristensector. Zo was ik jaren geleden naar India voor een project in de stad Surat, vijfhonderd kilometer ten Noorden van Mumbai. Na aankomst in Mumbai eerst een (overleefde) zelfmoordtaxirit om nooit te vergeten naar het hotel, om de dag erna met de trein verder te reizen. Eerste klas wagon. Helemaal top. De tweede klasse is in onze geciviliseerde ogen een veewagon, zonder ramen of bankjes en uitpuilend met reizigers. Na een half uur was je Mumbai uit en reed je tussen krotten van afvalhout, golfplaat en plastic. Hordes mensen stonden op nog geen meter van de spoorlijn af. De lucht, de stank, was moeilijk te beschrijven. Sommige mensen moesten hun luifeltje naar beneden klappen omdat die er anders door de trein werd afgereden. Op de daken was een oerwoud van schotelantennes… dat dan weer wel. Toen door het weidse prachtige landschap, waar je soms een rivier overstak die tijdens de moesson wel een kilometer breed was. Nu zag je alleen een beekje met aan weerszijden vuilnis. Een walhalla voor Omrin. Een verbrandingsoven zou daar op zijn plek zijn; geen tekort aan vuil en de milieueisen zijn daar niet zo hoog: gat in de markt. Tijdens de moesson kwam er dan zoveel water dat de rivier zijn volle breedte bereikte en dan spoelde ook al het vuil mee, zo de zee in. Afvalstoffenheffing hebben ze daar niet, denk ik zo maar. Aangekomen in Surat en een hotel in. Voordat ik aan het werk zou gaan had ik nog de tijd om even de stad in te gaan. Tuktuk geregeld en op pad. Mijn hemel, wat een troep, ronduit smerig! Ik werd omringd door een zurige stank. Waar ik ook kwam, het zag er niet uit. Veel mensen keken mij aan alsof ze een buitenaards wezen zagen lopen en ik werd door sommigen aangeraakt of aangesproken. Helaas kon ik dit Indiaas dialect niet verstaan. Ik zag een rood kruis op een gebouwtje wat een ziekenhuis bleek te zijn. Ik ben niet naar binnen geweest, maar de overlevingskansen voor degenen die daar terechtkwamen schatte ik vrij laag in. In een zijstraatje zag ik behoorlijk wat mensen staan die veel lawaai maakten. Een man nodigde mij uit om deel te nemen aan de feestende menigte. Er was een trouwerij aan de gang. Een mager paard stond voor een Indiase ‘sjees’, opgesierd met oude chromen koplampen van een lelijke eend of iets dergelijks. De hele familie stond er omheen. Het bruidspaar zag er prachtig uit, zij in een kleurrijk gewaad, opgedirkt met henna en gouden sierraden, hij in een mooi blauw ‘maatpak’, wellicht gemaakt door de lokale Van Gils en waarschijnlijk geleend van zijn kleinere broer. Hoewel men zegt dat de beste kleermakers uit India komen, moet dit pak gemaakt zijn door een stageloper. De herrie kwam van de lokale fanfare, waarvan de muzikanten die enigszins konden spelen een megafoon voor hun toeter hielden. Hun ‘witte’ uniformen met gouden biezen waren niet echt oogverblindend. Daar ik nogal een opvallende verschijning was als Fries zijnde, werd ik omringd door nieuwsgierige kinderen. Als die iets te opdringerig werden kregen ze van hun vader,  broer of oom een aardige klap voor hun kop en werden ze vermanend toegesproken. Ik werd uitgenodigd door het bruidspaar om de bruiloft met hen mee te vieren, maar daar zo’n feest meestal een dag of wat kan duren, moest ik met enige moeite vriendelijk bedanken. ’s Avonds bleek echter dat hetzelfde trouwfeest plaatsvond in het hotel waarin ik verbleef. Toen één van de mannen mij zag lopen, kon ik er niet onderuit om mee te doen met het feest, al was het maar voor die avond. Dansen op z’n Indiaas staat bij mij nu op dezelfde hoogte als de foxtrot. De volgende dag ging ik - wederom met gevaar voor eigen leven - met een collega in een busje naar het strand, waar we een aantal zonnepanelen moesten verplaatsen. Toen we daarna bij wat bomen goedkeurend naar onze gedane werkzaamheden stonden te kijken voelde ik zowaar wat spetters, en daarna nog meer. Het gaat toch niet regenen zeker? Ik zocht naar een wolkje aan de strakblauwe hemel.

Zijn het een paar apen die vanuit de bomen op onze kop staan te pissen. Gatver… wegwezen. Die zure stank die ik eerder had geroken in de stad kwam nu ook weer boven. Eerst maar een douche in het hotel. Ben daar nog een paar weken geweest, en heb nadien nog van de gelegenheid gebruikgemaakt om de Taj Mahal te bekijken. Dit uitstapje op een zo snel mogelijke manier uitgevoerd. En daarna linea recta weer op huis aan.

|Doorsturen

Uw reactie