Nieuws

Het stukje van de week door Marten Blom

Hoezo vroeg?

Ik zie me nóg zitten, ergens in maart, bij de neuroloog. ‘Dokter, ik bedoel professor, ik voel me wat futloos. Initiatiefloos, nutteloos.’ De arts, die duidelijk een nogal hectische dag had, keek me door zijn bril eens onderzoekend aan en slaakte een zucht. ‘Meneer Blom, u gaat weer rennen. Drie keer per week en daarnaast: wat deed u  verder ook alweer aan sport? O ja, oefeningen, een soort fitness bij de fysiotherapeut. Dat gaat u ook weer doen. En…’ Ik onderbrak de man: ‘Maar ik oefen wel op de hometrainer thui-’ ‘Niks hometrainer!’ zei mijn neuroloog ferm. ‘Drie keer per week rennen en, u klaagde ook over gebrek aan sociaal contact? Het kan niet moeilijk zijn om u aan te sluiten bij een groepje renners, toch?’ Toen, alsof hij zichzelf even op afstand bekeek, staarde de professor een moment naar zijn handen en zei: ‘U moet het mij niet kwalijk nemen, maar ik heb blijkbaar een dag waarop ik veel peptalks moet aanleveren.’ Na deze niet nader toegelichte opmerking was de beurt aan mij. Het was niet moeilijk om de draad weer op te pakken. Wekker op zes uur. Renpakkie aan, pillen erin en de deur uit. De eerste paar keer waren pittig. De conditie was ergens in de vorige herfst verdwenen, maar kwam na enige aarzeling weer terug. Net als mijn oude renmaat. Die moet wel stiekem geoefend hebben, want die ging meteen de eerste keer weer als een speer. Er was echter wel een verbazingwekkend verschil met de laatste keren dat ik nog gerend had, ergens in november 2017 ofzo. Het verschil zat hem in de mensen op straat. Andere mensen die óók wakker waren. De eerste paar keren bleef de idylle van een ongerepte ochtendstilte intact. De stad die om zes uur ’s morgens wel al baadde in het zonlicht, maar nog niet ontwaakt was. Zoals in een schilderij van surrealist Willink, waarin alle gebouwen keurig overeind stonden, maar de mensheid op mysterieuze wijze was opgelost. Of, zoals ik het mijn zoontje vertelde, dat alle mensen door ruimteschepen waren opgeslokt, maar dat verder alles gewoon was blijven staan. Misschien kwam het doordat we het startsignaal verlegden naar half zeven. Maar wat waarschijnlijker is: iedereen wordt eerder wakker van de zon die nu, begin juni, allang op is om zes uur. Zo stond ik mijn ledematen nog in zo’n eng strakke renbroek te persen, toen mijn vrouw al om mij heen scharrelde. De avond daarvoor had mijn renmaat nog afgezegd omdat zijn vrouw ook besloten had om vroeg te beginnen met werken. Tijdens het rennen gingen er bruggen open en dicht, bediend door verdekt opgestelde, ook wakkere mannetjes en vrouwtjes, die in mijn herinnering op dit tijdstip toch nooit zo actief waren? Hondenmensen, waaronder een moeder van een kind op de school van mijn zoon, brommen goedemorgen met hun tekkel of hazewindhond op sleeptouw. Na mijn terugkeer in het toilet gevierd te hebben, loop ik tegen mijn buurman op. Nu zijn huis wordt verbouwd logeert hij eens in de twee weken ofzo bij ons. Hij heeft om kwart voor zeven een afspraak in zijn bouwput, vertelt hij. Op de bank zit mijn zoon alweer achter zijn tablet. ‘Tot vanavond!’ roept mijn vrouw om tien voor zeven goddomme al. Na het douchen zit ik met zoon op de bank totdat het tijd is om hem naar school te brengen. Hij heeft gisteren schoolreisje gehad en ziet er op dit tijdstip nog uit als een ongewassen koalaatje die net uit zijn winterslaap komt. Gelukkig. Toch nog iemand die minder wakker is dan ik op dit tijdstip.

|Doorsturen