Nieuws

HET STUKJE VAN DE WEEK door Marten Blom

Mondhygiëniste

Op het moment dat u dit leest, ben ik aan het herstellen van een bezoek aan de mondhygiëniste. Toen ik daar voor het eerst naartoe ging, verdoezelde ik dat door te zeggen dat ik naar de tandarts ging. Ik voelde de nodige gêne vanwege de aard van het gesprek waarbij mijn tandarts mij doorverwees naar deze specialiste. Ik kan me zijn exacte woordkeus niet meer voor de geest halen, maar de strekking was: ‘Nu geef je me echt geen keus meer, Blom-meneertje. Als je zo doorgaat, raakt het tandvlees ontstoken en trekt het zich terug. Dan komen de tanden- en kiezenwortels bloot te liggen en die gaan dan ook weer ontsteken. Als je eenmaal een kaakontsteking hebt, ben je ver van huis. Om nog niet eens te spreken over de infecties die kunnen optreden bij een blootliggend gebit. Ik verwijs je door naar een mondhygiëniste. Gelukkig hebben we een hele goede hier in onze eigen praktijk!’

‘Dannuwew!’ zei ik tussen zijn in plastic gehulde vingers door. ‘Pardon?’ zei hij, en haalde zijn hand even achteruit mijn mond om mij te kunnen laten praten. ‘Dankuwel!’ zei ik nog eens. Er is iets met de positie waarin je bij de tandarts ligt, waardoor wij patiënten, wij allemaal, het voor altijd kunnen vergeten om een gevoel van gelijkwaardigheid te hebben ten opzichte van onze tandarts. Niet zolang wij ons in die hulpeloze achteroverliggende houding bevinden. Alles schuift op een groteske wijze in beeld. Vingers in wit latex met een spiegeltje ertussen. Iets wat er uitziet als een miniatuurversie van de staf van Sinterklaas, maar dan met een scherpe punt eraan. Watjes. De glimmende schedel  van de tandarts zelf. Boortjes. Slangetjes met lucht. Met water. En dan komen de eerste observaties. ‘Oeh! Noteer eens: boven, G4, diepboren en vijf gaatjes onder, doe maar de diep mahonie als vulling. Of nee, wacht, toch maar eigeel.’

 

Dat was alleen nog maar de tandarts. Enige tijd later arriveerde ik weer bij dezelfde tandartsenpraktijk. Deze keer werd ik onthaald door een vriendelijke dame, die me heel erg bekend voorkwam. Ze dacht een fractie van een seconde na, en zei: ‘Marten! Welkom, wil je me maar volgen? Deze kant op.’ Met een grote grijns van herkenning op mijn gezicht dacht ik ook na, maar dan veel langer dan zij en besloot met: ‘Ja, hoi! Onze kinderen gaan naar dezelfde school, hè?’ ‘Ja, je kwam vorige week je zoon naar ons brengen om te spelen. Ga lekker liggen.’

Ik nam plaats in de bekende slachtofferhouding. Ze stelde zich opnieuw voor met de mededeling dat het niet gaf dat ik haar naam niet meer wist. In het daaropvolgende half uur kon ik merken dat ze oprecht probeerde om me te sparen. Maar het beeld dat de tandarts bij mij had opgeroepen toen hij besloten had om mij door te verwijzen, moet te dicht bij de realiteit hebben gestaan. Het angstige visioen dat ik had, was dat van een onverzorgd kerkhof. Grauwgele grafstenen, schots en scheef tegen elkaar aanleunend. Gras en mos, hoog opgeschoten tussen de stenen. De wind had er na verloop van tijd zoveel zand en aarde in geblazen, dat er een soort stenen wal was ontstaan die de grafstenen en graven had getransformeerd tot een niet van elkaar te onderscheiden koek.

Toen ze met me klaar was, voelde het alsof ik nooit meer een andere uitdrukking op mijn gezicht zou kunnen dragen dan de verstijfde grijns waarmee ik naar huis ging. Het voelde alsof ze mijn tanden uit mijn mond had gehaald, ze gezandstraald, gereinigd, ontsmet, gepolijst en geschuurd had. Alsof ze de binnenkant van mijn mond en meteen maar ook mijn tong, uit mijn hoofd had verwijderd en door de wasmachine had gehaald. De stenen wal met mos en onkruid had plaats gemaakt voor ranke, gladde zuilen in een zachtroze glanzend landschap. Het was bijna koud nu er een frisse oceaanwind tussen mijn gepolijste tanden streek. Een briesje deed mijn weer opgegraven, naakte smaakpapillen sidderen op mijn tong. Dat was half februari. Nu is het mei. Ik schrijf dit op maandag 28 mei. Vrijdag ga ik weer naar haar toe. Ik ga op zoek naar een hogedrukspuit.

 

 

|Doorsturen