Nieuws

HET STUKJE VAN DE WEEK door Marten Blom

BOUWBEDRIJF

Ik had laatst een interessant gesprek met iemand. Het ging over mensen met niet-aangeboren hersenletsel die weer aan het werk wilden. Als ik dit verhaal in deze volgorde lees, dus eerst het gegeven dat iemand mentaal niet op volle capaciteit kan draaien, dan probeer ik me daar een beeld bij te vormen. Ik stel me iemand voor die wellicht moeizaam uit zijn woorden komt, wat aarzelend overkomt in gesprekken en misschien ook verstrooid of vergeetachtig is. Iets wat doet denken aan Alzheimer en wat zich in het gedrag uit als de manier van doen van een oude man.

Alleen ging het in dit gesprek niet over iemand die dat soort gedrag vertoonde. Het ging over iemand die een leidinggevende functie had en in de volle vaart des levens een keihard ongeluk had gehad en daar fysiek gezien, wonderwel van herstelde.

Opnieuw moest ik me een voorstelling maken van zo’n persoon. Intelligent, goed opgeleid en ervaren. Iemand die een gezin te onderhouden heeft en er niet aan gewend is om stil te zitten. Fysiek weer in orde. Heeft wel een verhaal over hersenletsel moeten aanhoren, maar weet in de praktijk nog niet wat dat betekent. Hij kan niet meer terug naar zijn oude werkplek, maar dat hoeft hij niet per se toe te schrijven aan een verminderd functioneren van zijn kant.

 

Als we het over een leidinggevende functie hebben, dan hebben we het over een woelige zee vol grote vissen die graag een stuk territorium overnemen van een grote vis die toevallig net in zijn kont gebeten is door een haai of een barracuda. Dus hij heeft nog geen aanleiding om aan zijn functioneren te twijfelen. Zoals veel oude mensen zich vaak nog helemaal niet zo oud voelen als ze zijn, zo kun je niet verwachten dat iemand die in het volle leven zo’n poets gebakken wordt zich realiseert dat niet alles het nog doet zoals het vorige week nog werkte.

Bij het starten op een nieuwe functie gaat het als volgt. De nieuwe werknemer wordt met een mengeling van ernstig medeleven en nieuwsgierigheid ontvangen. Zoals ik eerder beschreef; we gaan op zoek naar aanwijzingen naar dat hersenletsel waarover gesproken is en wellicht na een lichte aarzeling vragen we daar ook naar. De nieuwe werknemer kan slechts vertellen wat de arts heeft verteld en als deze herstellende ex-leidinggevende zich al zo bloot durft te geven over wat hij als zijn tekortkomingen ziet, dan is het nog steeds slechts het theoretische verhaal van de dokter wat hij in zijn eigen woorden moet zien te beschrijven. Dat is alles wat hij heeft, want hij heeft nog helemaal geen ervaring met dat hersenletsel. Als hij het zich al realiseert, dan is de kans groot dat hij zich ervoor schaamt of het niet aan een aandoening toeschrijft, maar aan zichzelf. En dat is waar voor mij de herkenning begint.

 

Ik ga nog even terug naar de man met het hersenletsel, want daar is nog wat mee: door een jarenlange ervaring heeft deze man een vanzelfsprekende mate van flair en zelfvertrouwen, waardoor hij makkelijk overschat wordt. Voor een deel wordt hij terecht hoog ingeschat. Dat hersenletsel hoeft hem niet noodzakelijk te hinderen in zijn vermogen om logisch te denken, om creatief te zijn. Het hoeft ook niet noodzakelijk te betekenen dat er sprake is van geheugenproblemen of dat er sprake is van een situatie die hij misschien het meest vreest, namelijk dat hij ‘gek’ zou zijn. Gekte in de zin van hallucinaties, achtervolgingswaanzin en noem het maar op. Omdat ik in de afgelopen jaren heb mogen wennen aan wat de ziekte van Parkinson en de bijbehorende medicatie met je hoofd kunnen doen, ben ik misschien nu, voor het eerst sinds de diagnose in 2012, in staat om dat een beetje op afstand te bekijken. Om zwakke en sterke eigenschappen te herkennen en te erkennen. Om te kunnen onderscheiden wat de ziekte doet en wat de medicatie teweeg brengt.

Maar wat heeft de ziekte van Parkinson nu te maken met hersenletsel? Parkinson uit zich toch fysiek, niet mentaal? Om die laatste vraag moet ik inmiddels inwendig lachen. Ik vind mezelf echt niet de slimste van de klas, maar ik weet wel dat je het functioneren van je hersenen nooit los kunt zien van de rest van je lichaam. Als je hart te zwak presteert om voor een goede doorbloeding in je benen te zorgen, dan kun je ook niet volhouden dat je kerngezond zou zijn als iemand er maar voor zou zorgen dat je van die benen verlost was. Het hoort simpelweg allemaal bij elkaar. Zo uit de ziekte van Parkinson zich bij mij in de vorm van bewegingstijfheid en -traagheid.

 

Als we er nu eens van uitgaan dat de hersenen gewoon bij het lichaam horen, en bij mij is dat ook zo; mijn grijze cellen hang ik nooit aan de kapstok en ze liggen ’s nachts ook niet, zoals een kunstgebit in een kommetje water op mijn nachtkastje, dan kunnen we concluderen dat óók mijn hersenen op een bepaalde manier stijf of traag worden. Wordt ik daardoor dan een gek? Een beetje simpel, zoals we dat vroeger zeiden? Op de momenten dat alles in de soep liep, dacht ik van wel. Ik hanteerde het woord ‘mongool’ nogal eens, vooral toen ik nog helemaal geen idee had wat er aan de hand was. Als niets ging zoals ik het voorheen gewend was, vond ik mezelf een stomme mongool. En als ik merkte dat iemand in mijn directe omgeving mijn bekwaamheid in twijfel trok, gebruikte ik het woord juist om mijn gekwetste trots te herstellen: ‘Je denkt toch zeker niet dat ik een mongool ben?!’

 

Soms begrijp je al geruime tijd hoe iets in elkaar zit, maar moet je het toch nog even van iemand anders horen om er wat mee te kunnen. Zo legde een verpleegkundige me, tijdens mijn verblijf van nu precies een jaar geleden in de afdeling spoedgevallen bij Punt voor Parkinson, mij het volgende uit. ‘Dat hoofd van jou, dat van jullie’, zei ze tegen ons Parkinsonpatiënten, ‘dat is net een bouwbedrijf. De ingang van dat bouwbedrijf is jullie hersenstam, waar alle informatie van jullie zintuigen bij elkaar komt. Bij die ingang komt er informatie van de klant binnen en dat wordt doorgestuurd naar een kantoor, wat hoger in de hersenen. Is een goed kantoor, met een uitstekende kantoorpik die de binnenkomende informatie zorgvuldig opslaat en verwerkt in een offerte, die weer naar een ander deel van de hersenen gaat, waar de offerte naar de klant wordt gestuurd. Tot zover geen vuiltje aan de lucht. Wat die kantoorpik, pardon administratief medewerker, nog niet weet is dat de verbindingen tussen de ingang/hersenstam en het kantoor/hersenen traag zijn. Die administratief medewerker rekt zich in eerste instantie nog eens uit na het maken van die eerste offerte, waarop er iets vreemds gebeurd. Nadat hij best lang heeft gewacht op zijn volgende klusje, komt er informatie binnen waar hij twee nieuwe offertes van moet maken en tegelijk komt de laatst verstuurde offerte, ondertekend door de klant, terug. Nu moet de administratief medewerker twee offertes maken en de telefoon en agenda inklimmen om de ondertekende offerte om te zetten in een succesvolle verbouwing.’

 

Wat er met die ex-leidinggevende (in dit geval dan) en mij gebeurt? Door die haperende verbindingslijnen ontstaan er ophopingen van informatie, waardoor er situaties van alles of niks ontstaan. Het ene moment lijkt het alsof we op ‘pauze’ staan en het volgende moment moeten we alles tegelijk doen. Daar is maar één remedie tegen: één ding tegelijk doen. Misschien zegt een vrouw nu: ‘Maar dat is toch bekend? Jullie mannen kunnen toch altijd al maar één ding tegelijk?’ Kan best, maar zie het hier maar als een situatie waarin dat in het kwadraat gebeurt. Niet te vergelijken. Ook zeggen mensen al gauw: Oh, maar zonder Parkinson of hersenletsel heb ik dat ook al!’ Nee, dat heb je niet. Je hebt het dan een beetje druk. Of je hebt slecht geslapen. Want wat ik je probeer te vertellen, is dat ik tijdelijk mijn spraak- en denkvermogen lijk te verliezen als je me een kopje thee aanbiedt nadat je met me besproken hebt hoe we het beste mijn hypotheek kunnen aanpassen, wat de belastingtechnische gevolgen daarvan zijn en hoe leuk het is dat mijn zoon alweer tien jaar is, terwijl in de achtergrond radio 538 loeihard aanstaat en het maandelijkse luchtalarm getest wordt.

|Doorsturen