Nieuws

Het stormachtige leven van Ids Roukema

Alles aan de hang (1)

Eddy de Vries vond enkele jaren geleden een brief uit 1931 die zijn opa had geschreven, vanuit Grand Rapids (VS), gericht aan de Harlinger Courant. Opa was ooit een groot kaatser die als eerste Harlinger de PC won én Koning werd. Eddy de Vries kreeg de vraag of hij een stukje over zijn opa wilde schrijven voor ‘De Keatsfreon’. Veel meer dan mailtjes voor werk en boodschappenbriefjes schreef hij tot dan toe niet, maar het lukte: zijn eerste verhaal, van maar liefst 16 pagina’s. Een artikel over de kaats- en zangfamilie Van Dijk volgde, en vorig jaar volgde onderzoek naar Ids Roukema, online en in vergeelde kranten. En hier is het resultaat, in vijf delen. Van Simon Vestdijk naar een gevilde kat. Van een atleet naar een kleine kleurrijke boef. Van twee wereldoorlogen en een zware blessure naar een viskraam. En van een fopsigaar naar een markante grafsteen. Hier is deel 1.

Door Eddy de Vries

Ids Roukema in 1916. (Foto: collectie Eddy de Vries)

Als oud-leerling van de rsg Simon Vestdijk in Harlingen moet ik eerlijk bekennen dat ik nog nooit een boek van de naamgever van de school in handen heb gehad. Tot onlangs. De hoofdpersoon van dit artikel lijkt namelijk een rol te spelen in de roman ‘De Ziener’ van Simon Vestdijk uit 1959. En het boek bevat misschien ook wel de fraaiste kaatspassage in de Nederlandse literatuur. Zo te lezen was Vestdijk een liefhebber, wanneer hij schrijft: ‘In het kaatsperk, aangegeven door een jas, een pet, een paar in de grond gestoken takjes, stond Roukema zich op te winden. Als een kat sprong hij naar te hoge ballen, liet zich opzij vallen zonder te vallen, raakte de bal met de korte, stellige patsen van iemand, die het niet alleen winnen zal, maar die ook gelijk heeft; maar al deze opzichtige hartstocht was in zekere zin verspild, want zijn tegenstander, met tienmaal minder overbodige bewegingen, stond altijd op een plaats waar het in Roukema’s voordeel zou zijn geweest dat hij er net vandaan kwam.’

 

Vestdijk geeft het personage Roukema in zijn boek de voornaam ‘Jelle’; de overeenkomst met Ids Roukema lijkt echter treffend. Atletisch, een rauwe vent, een Harlinger koopman in lompen. Maar hij is helemaal geen Harlinger. Ids komt zo’n negen kilometer oostelijker ter wereld. Hij is het eerste kind van los-arbeider Wouter Idsz. Roukema en zijn vrouw Johanna Jacobusd. Jillings en ziet op 7 november 1889 rond acht uur ’s morgens het levenslicht te Franeker. Ids is wel het enige kind dat in deze stad ter wereld komt; zijn drie broers en vier zusjes zullen allen in Harlingen geboren worden.

 

Sterke verhalen

Wanneer Ids Roukema ongeveer één jaar oud is, wordt in Harlingen rond eind oktober de kaatsvereniging Harlingen opgericht. Dit is echter niet het begin van het kaatsen in de havenstad. Uit de Leeuwarder Courant van juni 1785 blijkt al, dat “Castelein Ate Minnis van ‘het Zwarte Paard’, even buiten de Zuiderpoort, met persmissie van de edele achtbare magistraat der stad Harlingen, op 18 Juny des namiddags om één uur, een gouden bal laat verkaatzen.”

Meer dan honderd jaar later wordt in Harlingen dus de ‘kaatsvereniging Harlingen’ opgericht, en na een jaar wordt de veranderd in ‘Eendracht’. Een vereniging die tot aan de jaren zeventig van de twintigste eeuw min of meer het vlaggenschip is van de KNKB. Eén van de oprichters is Jan Lichtendahl. Op een zondagmiddag wint hij met vrienden onder elkaar een kaatspartij en verdient hier een cognacje mee.

 

Lopend van het stukje grond waar ze gekaatst hebben, bij de ‘brakerij’, een terreintje achter de barakken voor mensen met besmettelijke ziekten (nu het Grachtswalplein), komen ze aan bij café De Zon van Jan de Boer, op de hoek van de Zoutsloot en het Franekereind. Met een aantal mannen richten ze de kaatsvereniging op met zichzelf als bestuur. Leden zijn er dan nog niet. Voor de eerste uitgeschreven partij zal er worden gekaatst op een stuk land van Lolke de Bruin, tegenover het kerkhof. Er komen 117 kaatsers op af die elk een kwartje inleggen. De telegrafen worden uit Wijnaldum gehaald en voor de bediening ervan ‘hewwe we un stel Franekers fraagt om te bedienen, want dèr wisten we niks fan’, zegt Lichtendahl later.

Het terrein zal in orde worden gemaakt met stokken en touwen van zijn visgerei en het palingtentje dient als bestuurstent. ’s Avonds rond half negen is de partij afgelopen en in de plaatselijke Harmonie aan de Lanen is de prijsuitreiking. De eerste prijs gaat naar Jan Reitsma van Pingjum, Foeke Buwalda van Arum en de Midlummer Cornelis de Vries. Het is de eerste van vele geslaagde kaatspartijen in Harlingen en dat allemaal dankzij een gewonnen glaasje cognac. Later wordt in 1905 van de gebroeders Hoekstra het huidige kaatsveld ’t Oordje gekocht voor de toen niet misselijke prijs van 1700 gulden.

 

Sigaarke

Zo aan het eind van de jaren 70 ga ik vaak met mijn vader naar de eerste klasse kaatswedstrijden. Eerst alleen naar het ‘Eendracht-terrein’ in Harlingen maar later ook op de fiets naar partijen in de buurt. Als vader eindelijk zijn rijbewijs heeft weten te behalen, gaan we met de Opel Ascona 16 nog verder de provincie in. Wanneer we aan komen lopen, valt mij altijd weer het enthousiaste applaus en gejuich rond het veld op. Bij een op het oog provisorisch in elkaar getimmerd houten hokje betaalt mijn vader de entree en krijgen we de lijst mee. Oude mannen in hun zondagse pak en met witte pet, zitten op de voorste banken langs het veld, enkelen met een ‘sigaarke’ in de mondhoek. De geur van vers gemaaid gras, vermengd met die van patat en bier komt je tegemoet. Op de achtergrond een zweefmolen en de klanken van de lokale fanfare die om het uur haar gehele oeuvre herhaalt. De tijd waarin nog in lang wit ondergoed werd gekaatst, ligt al meerdere decennia achter ons maar de oude mannen met witte petten weten die verhalen nog met passie te vertellen.

 

Wanneer ze mijn vader herkennen, wordt hij begroet met de bijnaam protter. Zijn vader - mijn opa - Sikke de Vries kreeg die bijnaam en zelf werd ik toen ook nog wel eens zo genoemd. Voordat we naar het werkelijke kaatsen kunnen gaan kijken, moeten we eerst nog weer een anekdote van toen aanhoren. “Och Sikke lieve seun, weest nog wel, die Ids.” Samen met Ulbe Posthuma moesten ze eens met twee in één partuur, in Midlum kaatsen. Ze kaatsen om prijs en premie en het is zo goed als donker wanneer Ids moet opslaan op de stand 5-5 en 6 gelijk. “Nou seun, dou hest de pries”, zegt hij tegen Posthuma. “Hoe su,” vraagt Ulbe, “dou must toch nog opslaan?” “Laat dat maar aan mij over”, zegt Ids en stopt de bal in zijn broekzak. Hij neemt een aanloop en doet alsof hij opslaat. De tegenpartij heeft natuurlijk nooit een bal gezien maar Ids roept dat het een ‘zitbal’ is. De perkspelers kijken beduusd achterom, ‘waar is die bal gebleven?’ De winst gaat naar de beide Harlingers.

 

Diefstal

De oude mannen kunnen er nog altijd hartelijk om lachen maar mijn vader heeft het verhaal over Ids Roukema en zijn strapatsen al veel vaker gehoord. Een belhamel, ondeugend, een grote bek, een vloekende dandy, een held, maar ook een boef. Wanneer het gezin Roukema van Franeker naar Harlingen verhuist weten we niet precies, maar wanneer Ids drie jaar oud is, wordt daar in 1892 zijn zusje Jansje geboren. Over zijn heel jonge jaren weten we nagenoeg niets. Wel valt te achterhalen dat Ids’ vader Wouter wel eens een tijdje absent moet zijn geweest. Het hoofd van het gezin komt nogal eens in aanraking met politie en justitie. Maar liefst dertien keer maakt Wouter Roukema het zó bont, dat hij voor de rechter moet verschijnen. Het begint in 1875 met het stelen van een appel maar in 1901 zal vader zes maanden (!) moeten zitten, wederom voor diefstal. Als jongetje heeft Ids in de havenstad natuurlijk ook leren kaatsen. Dat doet hij met zijn leeftijdsgenoten op een mooi veldje achter de houtschuren aan de Bolswarder vaart. Rond die tijd komen ook de eerste jonge Harlingers met prijzen thuis. Ulbe Posthuma als eerste in 1904, van een kaatspartij in Franeker. Het duurt nog twee jaar voordat we de naam Ids Roukema tegenkomen in de kaatsverslagen. In Herbaijum kaatst hij op 17-jarige leeftijd in 1906 zijn eerste jongenspartij buiten de stad.

 

Een minder fraai verslag waarin we Ids’ naam - als minderjarige - tegenkomen is dat van een bezoek aan de rechtbank in 1907. Samen met Taeke Koster wordt hij ervan beschuldigd de kat van mevrouw Lene Vinkelbos te hebben gestolen. De beide jongens worden tijdens de zitting bijgestaan door advocaat Andreae uit Sneek en hebben bekend.

Op 28 november 1906 ’s avonds rond half zes, hebben de twee bij weduwe Vinkelbos voor het raam haar zwarte kat zien zitten. Het beestje heeft een witte buik, witte pootjes en een dito puntje aan het uiteinde van de staart. Ids heeft het beest daar weten weg te halen. Ze stropen het diertje waarna ze afspreken het velletje te gaan verkopen. Later die avond gaat Ids naar de herberg van Dirk Twerda waar hij probeert het velletje te slijten. Hij verkoopt het voor één gulden en 25 cent aan Izaak de Vries die later tegen hem zal getuigen. Het op de rechtszitting aanwezige kattenvel wordt herkend, ook al missen het puntje van de staart en de pootjes. Ids lijkt ter zake kundig want hij vermeldt dat een en ander is verwijderd ‘om bederven’ te voorkomen. De uitspraak op zes februari 1907 luidt: beiden één maand gevangenisstraf.

 

‘Ids fan Harns’

In datzelfde jaar maakt Ids zijn entree in het grote spel en hij valt op bij het koningspartuur van Catrinus Werkhoven, Sytze Abel Kooistra en Tjeerd Kooistra. Met hun felle opslag proberen ze Ids af te matten, maar helaas slaagt voor hen deze tactiek niet. Ids en zijn maten verslaan in Leeuwarden het illustere drietal. De verliezers zijn onder de indruk van die jonge, ouwe seun.

 

Op 27 juli 1908 komt de moeder van Ids, Johanna Jillings, dochter van een muzikant uit Sneek, te overlijden. Vader Wouter staat er nu dus alleen voor en gelukkig komen we hem rond deze periode niet tegen in een rechtbankverslag en is hij ook niet in aanraking geweest met de politie. Helaas geldt dat niet voor Ids. We komen hem tegen in de strafvonnissen van 1908 van het arrondissement Leeuwarden. Getuige Watze Visser, voorman bij de steenfabriek van K.G. Telenga te Midlum, verklaart dat er misvormde stenen uit de strengpers komen, waarna hij ontdekt dat een verbogen koperen plaat daar de oorzaak van is. Er zijn twee getuigen, de heren Zeilmaker en Kwast, die verklaren dat ze dit Ids hebben zien doen. Het Haarlems Dagblad schrijft op vijf oktober 1908, dat de 18-jarige Ids R. bij verstek wordt veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens sabotage. “Het doel van den jongen was, op deze wijze ten koste van zijn werkgever, eenige vacantie te krijgen.”

 

Schreeuwen

Vanaf 1909 mogen we het pas echt hebben over de kaatsprestaties van ‘Ids fan Harns’. Dit ter onderscheid van zijn neef Ids Roukema van Wommels en Ids Jousma uit Dokkum. Op 20-jarige leeftijd begint het binnenhalen van de grotere prijzen. Hij doet mee aan de kermisweek van 1909, samen met maar liefst 21 andere Harlingers. Een prijs zit er nog niet in maar net als alle andere Harlinger knapen, valt hij wel op. Niet alleen door hun techniek, tactiek en kracht, maar ook verbaal zijn ze sterk aanwezig. Langs de Friese velden wordt wel gezegd dat er jongens bij zijn die de tegenstanders er niet af káátsen, maar van de lijst af schreeuwen! De Harlinger Kaatsvereniging groeit inmiddels als nooit tevoren en ontplooit allerlei initiatieven. Zo heeft men het idee opgevat om te gaan kaatsen in trapeziumvormige perken, waarover gestemd zal moeten worden tijdens de Bondsvergadering. Het idee haalt het niet, weggestemd met 39 tegen en 9 voor.

 

In juli van hetzelfde jaar hertrouwt Ids’ vader. Hij geeft zijn jawoord aan de weduwe van Geert Nielsen; Hendrikje Riem. En op 8 augustus wint zoon Ids zijn eerste prijs in de hoogste kaatsklasse. Samen met Sikke de Vries en Jappie Tuinhout slepen ze in Menaldum een derde prijs in de wacht. En er volgt datzelfde jaar nog een derde prijs. Na twee jaar huwelijk sterft vader Wouter Roukema in 1911 en zijn stiefmoeder blijft alleen achter met de kinderen. Ids debuteert op de PC, samen met Zeinstra van Peins en Ulbe Posthuma. Die naam zijn we dan al vaker tegengekomen, ook samen met zijn twee broers, Rienk en Bouke. Ulbe is de voorbest opslager, Bouke de voorinse met de tweede opslag en Rienk de stoer gebouwde achterinse. In 1912 wint Ids in Makkum met Roelof Boorsma uit Wommels de eerste prijs. Maar op de PC sneuvelt zijn partuur in de tweede omloop.

Wat de kaatsers wonnen in dat seizoen? Op de gerenommeerde wedstrijden tussen 16 mei en 16 augustus was naast het eremetaal een totaal aan prijzengeld te verdelen van 1550 gulden, waarbij 210 gulden was weggelegd voor Catrinus Werkhoven. Ids Roukema ‘verwierf een kleinere som.’ In 1913 gaat Ids samen met Ulbe en Sikke naar de Bond die in Bolsward wordt gehouden. De drie ‘ouwe seunen’ komen met het brons thuis. In Bolsward is Kaatsvereniging M.E.T.O. de gastvrouw van de Bondswedstrijd en de Leeuwarder Courant weet te melden dat die ochtend van deze twaalfde mei mooi weer brengt met een helder zonnetje. Op de derde lijst kaatst het Harlinger partuur tegen de Franeker Vereniging, die in die tijd ook de naam ‘Eendracht’ draagt. Harlingen komt niet verder dan drie eersten en zes punten. Uiteindelijk zullen de Franekers met de vergulde wandelbal, drie zilveren medailles en 75 gulden naar huis gaan. Als bonus mag Ids de medaille voor de uitslager die in de eerste omloop de meeste bovenslagen heeft weten te maken, in ontvangst nemen. In datzelfde jaar groeit Kaatsvereniging Eendracht met maar liefst 597 leden, en er worden maatregelen geadviseerd “ter beteugeling van de schadelijke gevolgen van dit grote aantal”.

 

Volgende week deel 2 van ‘Alles aan de hang’.

Het Eendracht kaatsveld. (Foto uit Harlingen Mien Stadsje)

|Doorsturen

Uw reactie